SPANNEND KORTVERHAAL

De druppels trekken een spoor naar beneden langs het raam. De wind probeert het loszittende luik weg te sleuren. Een helwitte flits klieft de gitzwarte wolken doormidden. De donder volgt onmiddellijk en laat mijn hart een slag overslaan.
Het ononderbroken gehuil van mijn nichtje werkt op mijn zenuwen. Misschien begrijpt zij meer dan ik over onze situatie.
“Rustig maar”, mompel ik haar toe en begin zachtjes te zingen. Mijn slaapliedje werkt als een balsem op een kloppende wonde. We worden er allebei sprakeloos van.
Een koude rilling loopt over mijn rug. Al snel volgt er nog één. De kaarsen flakkeren en laten de schaduwen onheilspellend bewegen over de muren. De donkere plekken veranderen in dreigende vormen.

Nu het plots stil is, word ik me bewust van ongekende geluiden uit de zolderkamer.
Terwijl de gedachten als een sneltrein door mijn hoofd razen, bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Ik spits mijn oren om iets boven het stormgehuil te kunnen opmaken. De baby vangt mijn onrust op en begint opnieuw zachtjes te jammeren.

De oude boerderij die al te veel heeft meegemaakt, geeft me plots de kriebels. Ik wil alleen nog maar weg, maar het onweer stak een stokje in het wiel. De drabbige modderweg veranderde in een snelstromende rivier.
Totaal onverwacht begint Pluisje te blazen. Haar kattenblik gericht op de deur. Ze laat zich niet kalmeren en haar paniek slaat over op mij. Haar opgerichte pels brengt bij mij hetzelfde teweeg. Ik voel alle haartjes op mijn lichaam overeind komen. Er is iets niet pluis.
Een glijdend geluid boven trekt mijn aandacht. Ik kan het niet thuisbrengen. Het lijkt in niets op wat ik ooit al gehoord heb. In mijn hoofd beginnen radartjes te draaien.

Over dit pittoreske buitenverblijf bleven geruchten rondspoken. Hoe ze in de buurt al verschillende vakantiegangers dood teruggevonden hadden. Geplet, gekneld, alsof ze gewurgd waren door een reusachtige hand met gigantische vingers. Ook verdween het vee in de buurt regelmatig onverklaarbaar.
Ik pikte Brittje weer op uit de zetel en kneep haar tegen me aan. Alsof ik het kleine lijfje op die manier kon beschutten. Alsof ik mezelf zo moed kon geven.
Ik moest weten wat er aan de hand was. Opnieuw hoorde ik beweging. Op zolder was ik niet eerder geweest. De conciërge vertelde dat daar de privé spullen opgeslagen waren. De deur was op slot. Toch hoorde ik nu duidelijk ook meubels over de houten planken krassen.

De verantwoordelijkheid drukte op me als een loden last. Ik voelde me gevangen. Ik wenste dat het gebulder van de wind even zou gaan liggen. Zodat ik mezelf er van kan overtuigen dat er niks te horen was. Dat er zich niets boven ons hoofd bevindt buiten wat antieke meubelen.

De volgende bliksem sloeg ergens in, veel te dicht bij. De donderklap vult het hele huis met gerommel. Weer probeerde ik mezelf te overtuigen dat ik niets gehoord had, maar in de stilte die volgde, viel er plots iets om boven onze hoofden. Ik kan het niet meer ontkennen. De kat ‘s geblaas wordt nu vergezeld van sissen.
Ik tracht een wijs besluit te nemen maar ik durf de baby niet alleen achter te laten.
Ik scharrel al mijn moed bijeen en de deur piept open. Met Britt in mijn ene arm, heeft het geen zin op zoek te gaan naar iets wat ik als wapen zou kunnen gebruiken. We zijn beiden weerloos.

De hoop dat ik het me allemaal verbeeld, rimpelt door mijn lichaam.
Daardoor begin ik aan de krakende treden naar de zolder. Elk geluid laat me ineenkrimpen. Alsof ik genoeg kan verschrompelen om door een smalle spleet in de volgende trap weg te sijpelen.
Toch bereik ik uiteindelijk de ingang van de bovenste kamer. Tijd lijkt zich te rekken en weer te versnellen. Mijn hart bonkt mee op hetzelfde ritme.
Ook Britt houdt even haar adem in en stoot dan een kreet uit. De angst nijpt me om mijn keel. Ongemerkt aankomen is geen optie meer.

Boven sta ik te hijgen en snak naar adem. Mijn gezel begint hartverscheurend en ontroostbaar te huilen. Plots ben ik de hele situatie meer dan beu. Ze begint door te wegen en een vieze geur walmt me tegemoet uit haar pamper. Dat ontbrak er nog aan.

Een kille ademtocht geeft me kippenvel. Dan merk ik het: de deur staat op een kier.
Met alles wat ik nog bezit aan kracht en overtuiging, duw ik ze helemaal open en blijf aan de grond genageld staan.

Een reusachtige boa constrictor van meer dan 15 meter lang en zo dik als 10 brandweerslangen richt zich op, de tanden glimmen vervaarlijk bij de volgende bliksemflits. Hier is geen ontsnappen aan. Ik sluit mijn ogen en probeer ons weg te wensen. Een sirene huilt op de achtergrond.

De wekker was enkel dit keer een bevrijding.

2 Responses

Feel free to leave a reply